Onderwijsvernieuwers Sjef Drummen en Jan Fasen hebben een belangrijk boek gemaakt, 10 jaar Agora in de praktijk. Het is in wezen een bundel van drie boeken. In twee boeken zetten achtereenvolgens onderwijsarchitect Drummen en innovatieve schoolleider Fasen hun gedachten over het failliet van het Nederlandse onderwijssysteem uiteen. Die zijn vervolgens samengevoegd tot één boek dat je van beide kanten kunt lezen.

Drummen en Fasen vertellen over de conceptie van een andere aanpak, Agora-onderwijs. En ze vertellen over hun ervaringen met het realiseren van het Agora-onderwijs. Inmiddels telt de Agoravereniging achttien scholen in Nederland en drie in Vlaanderen. Het derde boek wordt gevormd door de veertien columns waarmee het boek van Drummen en Fasen doorspekt is. In die columns komen wetenschappers aan het woord, zoals transitiedenker Jan Rotmans, onderwijsminister Robbert Dijkgraaf, hoogleraar onderwijskunde Rob Martens en hoogleraar filosofie Jan Bransen zelfs twee keer. Allen wijzen ze op het belang van het Agora-onderwijs.  

Failliet van het onderwijs

In hun boek beargumenteren onderwijsarchitect Sjef Drummen, innovatieve schoolleider Jan Fasen en het gezelschap van wetenschappers dat het Nederlandse onderwijssysteem muurvast zit en de ontwikkeling van jonge mensen en van onderwijsprofessionals blokkeert. Het is een bekend verhaal. Kinderen, leraren, scholenorganisaties zitten in een systeem waarin het gaat om prestatiecriteria, outputmetingen en verbeterplannen. Maar het onderwijs wordt er niet beter op. Kinderen worden gedwongen om een programma te volgen, zich aan een toetsregime te onderwerpen, leraren voelen zich in hun professionele autonomie beknot. Tieners en jonge mensen bezwijken volgens het Trimbosinstituut onder de systeemdruk en de intrinsieke motivatie van kinderen verdwijnt in het riool van de school. Ouders leveren hun kinderen over aan een systeem waarin ze zelf meer dan eens verpieterden. Je vraagt je af waarom juist de onderwijssector niet in staat is tot expansief leren. Dat laatste betekent (leer)activiteiten ontwikkelen waarmee we nieuwe vormen van leven, organiseren en onszelf zijn ontdekken. Dus ook nieuwe onderwijsactiviteiten. Activiteiten die ons toerusten om de grote problemen van deze tijd het hoofd te bieden, want daarin schiet ons onderwijssysteem ernstig tekort.

Agora als wenkend perspectief

Sjef Drummen en Jan Fasen zetten het Agora-onderwijs neer als een wenkend perspectief. Niet dat het allemaal zo revolutionair is. De visie en concepten waarmee ze hun onderwijsbenadering laden doen denken aan de werkplaatsschool van Kees Boeke en Maria Montessori, het onderwijs van Big Picture scholen en andere onderwijsconcepten waarin de interesse van het kind de katalysator is voor de motivatie om te leren. In het DNA van het Agora-onderwijs gaat het om diepgaand leren en persoonsvorming. Agora leerlingen worden gestimuleerd om zelf regie te voeren op hun eigen leren en ontwikkelen, verbanden te leggen tussen verschillende vakgebieden en creatieve oplossingen te bedenken voor complexe problemen. Dat moet leiden tot persoonlijke ontwikkeling, cognitieve vaardigheden, een vermogen tot kritisch denken en diepgaand leren.

In 2013 legden Drummen en Fasen de basis voor het Agora-onderwijs en zij startten hun eerste school. Inmiddels presenteren de scholen zich op de website van de Agora-vereniging. Naast vijftien scholen in Nederland – in het basis en voortgezet onderwijs en ook een drietal scholen in Vlaanderen. En de beweging groeit. Inmiddels zijn er meer dan dertig scholen opgericht of in oprichting. Als je het mij vraagt is dat nu juist de kracht en het belang van de beweging die de onderwijsvernieuwers in gang hebben gezet. Er is een krachtige beweging nodig om overheid, beleidsmakers, schoolleiders, lerarenopleiders, leraren en ouders ervan te overtuigen dat het de hoogste tijd is om los te komen van falende routines.   

Intrinsieke motivatie en diepgaand leren

Intrinsieke motivatie en diepgaand leren vormen de grondtoon van het Agora-onderwijs. Drummen en Fasen vertellen beiden een eigen verhaal waarin ze uiteenzetten hoe ze tot onderwijs zijn gekomen waarin leerlingen zelf kennis verwerven door vanuit hun eigen wensen, vragen en interesses een persoonlijke leerroute af te leggen door vijf ‘werelden’, een kunstzinnige, wetenschappelijke, spirituele, maatschappelijke, en sociaal-ethische wereld. Bij het Agora-onderwijs zijn er geen toetsen, cijfers, methodes of huiswerk. Het moet toch te denken geven dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het Agora-onderwijs niet onderdoet voor het reguliere onderwijs. Maar het is bedenkelijk om het zo op te schrijven, want het ging juist om het vinden van nieuwe principes die bepalen wat goed onderwijs is. Jan Fasen maakt ook duidelijk dat om onderwijs te realiseren dat dienend is aan de motivatie van de kinderen een vorm van leiderschap nodig is die daarmee correspondeert.

De wetenschappen en de kunsten

In de beschrijving van het Agora-concept maken Drummen, Fasen en de wetenschappers duidelijk dat het Agora-concept gefundeerd wordt door verschillende wetenschappelijke pijlers, zoals: de zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan, waarin het gaat om het ontwikkelen van motivatie door autonomie, competenties en verbondenheid; de neurowetenschappen in het onderwijs, waarvoor breinwetenschapper Jelle Jolles zich sterk maakt; en pedagogische opvattingen, onder meer van Gert Biesta. ‘10 jaar Agora in de praktijk is rijk geïllustreerd met kunstwerken van Agora-leerlingen. De auteurs maken dan ook duidelijk dat de kunsten een belangrijke rol vervullen in het Agora-concept. Kunstenaars, zo schrijft Sjef Drummen gebruiken in vrijheid, het onbekende, de onzekerheid en het niet-weten. Daarin ligt volgens hem het geheim en de energie van al het nieuwe. Logica brengt ons van A naar B, de verbeelding brengt ons overal zei Einstein al.

Realisatie en tien jaar ervaring

Inmiddels is er dus al tien jaar ervaring met het Agora-onderwijs en de beweging groeit. Leerlingen en hun ouders, leraren, ‘ínspirator’ Jef Drummen en ‘realisator’ Jan Fasen laten zien wat er mogelijk is. Het doet goed om te ontdekken dat onderwijs dat wat mij betreft echt deugt ook werkt. Even los van de paradox van dit meten. Terwijl je je tegelijkertijd moet afvragen of het reguliere onderwijs, dat niet veel beter werkt, wel deugt?

Enkele kritische noten

Tot slot zou ik nog enkele kritische noten willen plaatsen. Als eerste valt me op dat de bundel ‘10 jaar Agora in de praktijk’ vooral twee egodocumenten zijn van Drummen en Fasen. In hun verhalen betogen zij dat het om het eigenaarschap van de kinderen gaat, om een andere invulling van het leraarschap en om een leiderschap dat ruimte geeft. De leider en de inspirator komen ruimschoots aan het woord met verhalen over de oorsprong, het heden en de toekomst van het Agora-onderwijs. De stemmen van de leerlingen en hun ouders en van leraren klinken jammer genoeg nog alleen indirect door in de verhalen van Drummen en Fasen. Maar naar verluidt komt er een vervolg op 10 jaar agora in de praktijk, waarin de belanghebbenden de hoofdrol vervullen en zelf aan het woord komen.

Verder valt me op dat in het boek veel ruimte wordt genomen om de wetenschappelijke fundamenten van het Agora-onderwijs toe te lichten. Daarbij valt overigens op dat een motivatietheorie, zoals de zelfdeterminatietheorie veel meer ruimte krijgt dan het denken over volwassenwording, zoals dat van pedagoog Gert Biesta. En waar Biesta er stevig voor pleit om het over persoonswording te hebben, hebben Drummen en Fasen het in nadruk over vrijheid zonder enige toelichting over waarom ze toch kiezen voor persoonsvorming en niet voor persoonswording. 

In ‘10 jaar Agora in de praktijk’ wordt verwezen naar het monitoren van het Agora-onderwijs. Wat gegeven de kritiek op het monitoren in het huidige onderwijs de wenkbrauwen doet fronsen. Over wat voor soort monitor hebben we het? Wat zijn de onderzoeksvragen die het Agora-onderwijs verder kunnen brengen? Welke vormen van onderzoek bieden een wezenlijk alternatief voor het monitoren waartegen het Agora onderwijs zich juist afzet? Dat wordt allemaal niet zo duidelijk. Het is ook raar dat de hoogleraren na de ontmaskering van het failliet van ons onderwijssysteem niet met een prikkelende programma komen om de Agora-beweging verder te kunnen funderen.

Tenslotte, het zou de grondleggers en de makers van het Agora-onderwijs sieren wanneer zij ook ruimte zouden maken voor kritische reflecties op hun Agora-onderwijs. Kritisch denken kan volgens mij voorkomen dat het Agora-onderwijs verwordt tot de zoveelste hype.

Tot slot

10 jaar Agora in de praktijk is het relaas van twee moedige onderwijsmannen die onder ogen durven zien dat het onderwijsroer om moet. Die willen werken aan onderwijs dat niet alleen recht doet aan onze kinderen maar ook aan de vraagstukken waarmee onze wereld kampt. Onderwijsmannen die laten zien dat we van een aantal catastrofale onderwijs ideeën en reflexen los kunnen laten. Dat er moed nodig is om daarmee te beginnen en ruimte te maken voor fundamentele veranderingen. Dat maakt wat mij betreft dat het initiatief van beide onderwijspioniers deugt en dat goed voorbeeld gevolgd mag worden.

Meer informatie over Agorascholen vind je op de website van de vereniging agoraonderwijs. 

 

Dr. Ton Bruining is pedagoog, onderwijskundige, organisatiefilosoof en trainingsacteur. Hij heeft als zelfstandig academicus zijn eigen bureau en werkt als onderzoeker, opleider en adviseur. Hij is partner van KPC Groep.